‘Voor Mondriaan was een melodie net zoiets als een boom op een schilderij. Een melodie deed hem denken aan de natuur. En kunst moest juist iets heel anders zijn dan de natuur. Mondriaan was weg van jazz. Deze Amerikaanse muziek deed met Bach en Beethoven precies hetzelfde als Mondriaan met Rembrandt en Rubens had gedaan. Het was een revolutie. Mondriaan nam afscheid van de vorm. De jazz zei de melodie gedag. De boogie-woogie, dat waren geen liedjes, dat was het stuk maken van liedjes. Steeds andere ritmes namen hun plaats in. Helemaal tevreden was Mondriaan nog niet. Eigenlijk moesten de instrumenten ook nog verdwijnen. Weg met de piano en de gitaren! En muzikanten, waar zijn die eigenlijk voor nodig. Elektrische machines kunnen hun taak toch wel overnemen? Als Mondriaan nu nog had geleefd, luisterde hij vast niet meer naar de boogie-woogie. Op zijn rood geverfde grammofoon draaide hij house.’ — Mondriaans alfabet (Bianca Stigter, 1997)