beeldmachine

Dan de foto! Een druk op de knop, vederlichte almacht, tweehonderdste van een seconde, hoe hebben we ooit zonder gekund? Wie wil nog schilderen? Verf moet drogen! Het is het verschil tussen de wereld in een oogwenk bezitten en haar eeuwig achternajagen. Behoedzaam met die almacht omspringen lijkt me, al is dat misschien niet eenvoudig als je zoveel gratis krijgt. Het maakt fotografie een intrigerend medium. Het is het makkelijkst, en daarom misschien wel het moeilijkst. Het brengt een grote verantwoordelijkheid met zich mee. Zie je maar eens te beheersen als er meer dan duizend foto’s op je geheugenkaartje passen. Ter overweging, je kunt een foto ook niet nemen.

le palais idéal, hauterives

Hoewel een foto in principe elke theorie zo van tafel veegt (ze zwijgt), wil ik proberen iets te zeggen over de foto’s van Bernd en Hilla Becher. Zij fotografeerden vijftig jaar lang watertorens. Ze bedachten allerlei regels die het moeilijker maakten om de foto te nemen (of makkelijker, het is maar hoe je het bekijkt).

Vijftig jaar lang fotografeerden ze vervallen, verlaten industriële monumenten, objecten die liever niet op de foto willen omdat ze te groot zijn. Om ze goed in beeld te kunnen nemen moet je op een redelijke afstand staan, op een flinke ladder. Dan moet je wachten op het juiste licht, niet te zonnig, dan worden de schaduwen te scherp, niet te donker, want dat had je niet met jezelf afgesproken. Daar sta je dan op een verlaten terrein je ding te doen.

Het lijkt alsof ze op een dag besloten om de kunst vaarwel te zeggen en pasfoto’s te gaan maken. Vijftig jaar hetzelfde. Vijftig jaar watertorens, mijnschachten en gashouders…voelden ze zich schuldig over het gemak waarmee je een foto neemt?

Moeizaam. Niet de foto’s, maar die vijftig jaar. Vijftig jaar lang je volgende vakantiebestemming weten. Vijftig jaar lang het gevecht tegen de saaiheid, het onderdrukken van de neiging om uit de band te springen, om eens gek te doen, iets anders, een ingreep – inzoomen op een stel duiven die op een kapotte steunbalk zitten, of spelen met perspectief, met scherp en onscherp. Nee, alles hetzelfde, in series, zorgvuldig tentoongesteld, identiek ingelijst, in regelmatige rijen onder elkaar. De esthetiek van een oorlogskerkhof.

De methode van de Bechers boezemt me angst in, de dwangmatigheid, de obsessie en het overstoorbare. Ze legt een zwakte bloot – niet van henzelf, maar van mij als kijker: ik zou zoiets niet volhouden. Als ik naar de serie watertorens kijk zie ik beheersing, ontbering en de wetenschap dat je hiermee door zult gaan tot je dood (die voor Bernd Becher na dit schrijven opeens kwam, zou Hilla in haar eentje doorgaan?).

In Hauterives vond een postbode op een dag een steentje, en de volgende dag nog een. Hij stopte ze in zijn zak, ging stapelen en metselen, en 33 jaar later stond een enorm bouwwerk in zijn achtertuin, le Palais Idéal. Zijn levenswerk. De watertorens zijn net zoiets.


About this entry