
Ik stond voor een etalage waar foto’s opgeprikt waren. Het was een zonnige dag en ik moest door de reflectie van een rij auto’s die in de straat geparkeerd stonden heenkijken om de foto’s te zien. De foto’s maakten deel uit van een kunst-in-etalage-project. De foto’s waren bijna allemaal portretten van mensen die buiten stonden. Er werd geposeerd maar altijd ontspannen, een jas losjes over de arm gevouwen, een knalgeel gietertje in de hand temidden van planten op een balkon. Het waren snapshots waarbij de foto ook een seconde eerder of een seconde later genomen had kunnen worden, de sfeer was ontspannen, niemand had haast, er gebeurde niets belangrijks dat timing vergde. Op een begeleidend briefje stond dat de kunstenaar de foto’s niet zelf gemaakt had maar gevonden. Dat kan met tekst nou nooit, dat je teksten vindt die net zo mooi zijn als die gevonden foto’s in de etalage. Je hebt wel mooie zinnen die je dan met een potloodstreepje aanstreept maar zo’n gewoon geel plastic gietertje bookmark je zelden. Losse zinnen werken minder goed en losse zinnen samen al helemaal niet. Foto’s wel. Iemand had ze gevonden, naast elkaar geprikt, en tandenknarsend moest ik toegeven dat het werkte. Ik voelde ineens sterk de behoefte dat mijn raam ook een kunst-in-etalage-raam zou zijn en ik noteerde het telefoonnummer van het kunst-in-etalage-project. Terwijl ik naar huis liep fantaseerde ik dat mensen bij je naar binnen kijken en toch niet zien hoe jij daar in je badjas zit omdat er kunst tussen zit. Alhoewel ik wist dat het niets zou worden (ik woon driehoog) was ik toch even opgewonden bij het idee.
4 juni 2007, amsterdam